De praktijk van het sociaal domein: gevoel krijgen bij de uitvoering

Je hoeft kranten als Trouw, NRC en Volkskrant maar open te slaan en vakmedia als Binnenlands Bestuur er maar bij te pakken. Grote kans dat je artikelen vindt die gaan over problemen binnen het sociaal domein in het algemeen en die in de jeugdzorg in het bijzonder. Mijn collega Wianne Brandt schreef eerder haar ervaringen als bestuurder van Veilig Thuis al eens op. Enfin, ik luisterde naar de Rudi & Freddie show toen Albert Jan Kruiter van het Instituut Publieke Waarden op bezoek was. Interessant punt dat hij aanstipte, en misschien wel de kern van het probleem, was het wegvallen van de fuik tussen het willen en kunnen. Waar de beleidsmedewerker eerder de politiek kon remmen met een onderbouwde argumentatie waarom een ambitie misschien toch wel iets te ambitieus was, zien we nu een beleidsmedewerker waarvoor dit ook allemaal nieuw is. Gemeenten zijn pas sinds 2015 direct verantwoordelijk geworden voor de uitvoering van de Jeudgwet. Deze beleidsmedewerker kan dus niet putten op ervaringen uit het verleden. De sleutel ligt in het bevragen van de uitvoeringsprofessionals, zij zien vanuit de werkvloer wat er wel werkt en wat er niet werkt. Door met hen het gesprek aan te gaan kunnen beleidsmedewerkers een gevoel krijgen bij de (on)haalbaarheid van een politieke ambitie.

Ik was wel benieuwd wat zo’n gesprek met de uitvoeringsprofessionals op zou leveren. Dit stelt mij ook weer in staat om meer te leren over het sociaal domein en daarmee mijn werk beter te doen. In dit artikel deel ik de ervaringen naar aanleiding van het bezoeken van een crisisopvang in Brabant. Ik stelde hen de vraag waar zij tegenaan lopen in samenwerking met gemeenten, na de decentralisatie van de jeugdwet:

Jongeren belanden regelmatig tussen wal en schip vanaf 18 jaar tot 23 jaar

Je leest er regelmatig over in stukken of rapporten en het is ook echt zo in de praktijk: jongeren belanden vanaf hun 18de regelmatig tussen wal en schip. De verlengde Jeugdwet wordt vaak niet meer afgegeven en dan geldt de WMO. Daarvoor geldt vaak een wachtlijst van een halfjaar tot een jaar. Beschikkingen lopen wel af. Ook wie het figuurlijke WMO-schip wel bereikt, kan te maken krijgen met minder begeleiding en ondersteuning dan wat de uitvoeringsprofessional nodig acht.

Langere wachttijd dan nodig

Het duurt in de praktijk vaak zes tot acht weken voordat beschikkingen worden afgegeven. Waar een generalist dit voorheen misschien prima kon doen, oordeelt een cliëntbureau dit in de praktijk vaak zomaar anders. Veel organisaties starten daarom niet meer zonder een beschikking. Hierdoor ontstaan wachtlijsten voor de nodige begeleidingstrajecten. Het staat bovendien nieuwe aanmeldingen in de weg. ‘Wordt een beschikking toch niet afgegeven? Dan begin je vaak weer van voren af aan. Hoewel kinderen niet langer dan 4 weken in de crisisdienst mogen blijven, doen we dit soms toch door ze opnieuw aan te melden.’

Hulpverleningsvormen die tegelijk nodig zijn kunnen niet altijd aangeboden worden

Het ‘stapelen’ van verschillende beschikkingen mag en kan in de praktijk niet. Hierdoor kunnen verschillende hulpverleningsvormen van andere aanbieders niet naast elkaar lopen. Eén aanbieder moet alle jeugdhulp aanbieden. Bij een jongere die niet naar school kan, zijn wij dus verantwoordelijk voor het aanbieden van dagbesteding. In de praktijk hebben wij echter weinig opties tot het aanbieden hiervan, waardoor de jeugdige zonder dagbesteding kan blijven zitten.

Schotten worden alleen maar hoger tussen de organisaties

Ondanks het feit dat steeds meer organisaties samenwerken vanuit de vastgelegde ambitie ‘de client centraal’ te stellen, stelt iedere betrokkene in de praktijk toch vaak nog het eigen belang, financiële verantwoording en andere zaken (te) centraal. Zo ervaren uitvoeringsprofessionals niet per se betere samenwerking maar stuiten zij in de praktijk vaak op complexere speelvelden in regio’s en gemeenten die hun eigen regels hanteren.

Komende tijd kijk ik verder naar het verschil tussen het willen en kunnen in het sociaal domein. Naast hierover in gesprek te zijn met mijn collega’s binnen het sociaal domein, doe ik dit vooral door op de plekken te zijn waar het op de werkvloer gebeurt. Doorpraten hierover? Neem dan contact met me op.