Maak van jouw stad een platform

De afgelopen week staan mijn gesprekken op één of andere manier in het teken van het woord ‘platform’. Ik leerde dat woord voor het eerst kennen toen ik me in smart city-technieken verdiepte. Een platform bestaat, in mijn lekenwoorden, uit een infrastructuur die sensoren (dat kunnen dus ook mobieltjes zijn) verbindt met een set van databases, een database-management-systeem, applicaties om als gebruiker zélf zinvolle combinaties te vinden of zelfs diensten te ontwikkelen, datavisualisaties en verbindingen terug naar gebruikers. Het unieke aan een platforms is dat er niet een 1-op-1 verbinding is tussen sensor, bewerking en applicatie, maar dat de data bij elkaar worden gebracht, waardoor ook alle andere applicaties en gebruikers van de data gebruik kunnen maken.

Ingewikkeld? Denk maar aan Amazon of Google. Die bieden hun infrastructuur vrij toegankelijk aan, voor iedereen om diensten op te ontwikkelen, en ze benutten de data die dat genereert om zelf nieuwe diensten te ontwikkelen. Platforms koppelen technologieën aan gebruikers door gebruik te maken van standaarden. Wie het platform gebruikt, weet dat onder de data die hij/zij krijgt een set van regels en afspraken liggen waardoor de data betrouwbaar zijn.
Ik noem dat smart organiseren. Eigenlijk zijn platforms helemaal niet zo nieuw. Heel veel grote bedrijven en gemeenten hebben ze al en er zijn allerlei private aanbieders die platforms installeren en onderhouden. Veel van die platforms zijn echter niet vrij toegankelijk; met een goede reden. De data die er over heen en weer gaan, zijnmet allerlei juridische waarborgen omkleed. Je wilt bijvoorbeeld niet dat jouw aangifte inkomstenbelasting door allerlei partijen kan worden gebruikt in een big data analyse op basis waarvan je specifieke producten krijgt aangeboden.

Platforms zijn horizontaal en in beginsel onbegrensd. De wederkerigheid tussen aanbieder en afnemer, of liever, het verdwijnen daarvan, staat haaks op de manier waarop we de relatie tussen overheid en burger hebben ingericht. Daarin hebben grenzen een belangrijke rol: het platform reikt tot waar de solidariteit reikt. Begrenzing in termen van privacy. En voor bedrijven geldt: datgene wat je met veel investering en moeite hebt opgebouwd, wil je niet zo maar vrij in handen van een ander zien. En dus sluiten we heel uitgebreide contracten met vele clausules waarin we afspraken maken over eigendom, beperkte toegang, gebruik en de verdeling van opbrengsten.

De vraag die mij de afgelopen bekroop, is of dat voor overheden nog opgaat. Begrensde systemen zijn gebouwd op het kapitaliseren van data en uitvindingen. Op informatie-monopoly’s. Data groeien echter exponentieel door het Internet of things en de manier waarop wij als wereldbewoners daarmee omgaan. Er is geen schaarste meer, we delen vrijelijk onze data. Voor overheden betekent dit dat ze met steeds meer data werken die ze niet zélf verzameld hebben. De directe verbinding met je inwoners is geen garantie meer voor de integriteit van de data waarmee je werkt. Anderen hebben die data vaak ook al of kunnen ze door bewerking makkelijk maken. Data krijgen meer waarde doordat ze in een context met andere data gecombineerd worden. Hoe groter de diversiteit en de kwantiteit, hoe waardevoller de analyse.

Het isoleren van je eigen systeem, met andere woorden, kan niet meer. Het is bovendien inefficiënt en leidt tot kwalitatief minderwaardige oplossingen. Waarom kun je bij het bestellen van een pakketje via track and trace van moment tot moment volgen waar dat is, het afgeleverd krijgen waar je wilt en bovendien achteraf aangeven hoe tevreden je was, terwijl we bij de gemeente voor de aanvraag van vergunningen moeten wachten? En waarom ontwikkelt ieder gemeente voor zichzelf ‘proprietaire’ oplossingen of neemt die af van bedrijven, terwijl veel van die producten óf op private platforms óf door andere gemeenten achter hun firewall al ontwikkeld zijn en men ze gewoon kan overnemen? Zo uniek zijn gemeenten niet. Oplossingen kunnen veel meer worden hergebruikt dan nu het geval is.

Waarom werken gemeenten niet als een platform, waarop inwoners, ondernemers, bedrijven informatiediensten kunnen ontwikkelen die inwoners helpen? Waarom leren steden niet meer van elkaar? Waarom kunnen inwoners of maatschappelijke organisaties met de data die de overheid heeft (van alle organisaties waarmee ze werkt) zélf ook niet nieuwe diensten ontwikkelen? Ik ben bestuurder van een specifiek jeugdwerk-instelling. Als we in staat zouden zijn om de data die de gemeente op basis van de subsidie-overeenkomsten en verantwoordingsinformatie heeft over de gezondheid, school- en werkcarrière van jongeren met elkaar te combineren, dan zijn onze straathoek- en jongerenwerkers in staat om veel gerichter hun werk te doen.

‘Data’ is de nieuwe grondstof. Natuurlijk blijven veel gemeenten het doen met de inzet mensen en geld. Maar de derde grondstof, data, wint enorm aan kracht door de datarevolutie. Ook arme gemeenten zijn door data heel goed in staat inwoners een hoge kwaliteit van dienstverlening te bieden. Een land als Estland, met een inkomen per hoofd dat veel lager ligt dan in Nederland, bewijst dat dat kan. Overheid wordt steeds meer “samenheid”. Het is van belang na te denken over hoe we de verbindingen in onze samenleving, zowel sociaal als technisch, zo open en sterk mogelijk kunnen maken. Dát is wat de kracht van een samenleving maakt.
Ik zie de bezwaren ook wel, in termen van privacy, kwetsbaarheid, inclusie . En ik heb deze week voor het eerst een voorproefje gehad van wat er gebeurt als ik voor een stad met de verschillende huidige aanbieders van platforms in gesprek ga. Iedereen is voor open en toegankelijk en iedereen wil samenwerken – zo lang het maar op hun platform is. Is het dan onwenselijk dat we samen op een open platform werken? Onmogelijk? Ik heb het gevoel dat we dit nu meemaken, omdat we nog maar net begonnen zijn. Er zijn wel degelijk plekken waar inwoners er zelf mee beginnen. Kijk maar eens hier.

Denk er eens over na: jouw stad als een platform.