De ethische grenzen van de slimme stad

Vanochtend voerde ik een mooi gesprek met Joost Alleblas over smart cities en de ethische grenzen daarin. Joost bereidt een RAAK Professional onderzoek voor op dit vlak met voormalig collega Martine Vonk. Hij is benieuwd naar ethische aspecten van smart city ontwikkelingen zoals ik die nu feitelijk meemaak.

Met smart city technieken raken burgers nauwer met elkaar én met de bedrijven en hun overheid in de stad verbonden. De kernvragen van Joost, in mijn woorden: wat gebeurt er precies op die verbinding, welke kant gaat hij op en wat betekent dat voor oordeelsvorming? Van de burger zelf? In de manier waarop hij betrokken wordt bij publieke dienstverlening? En omgekeerd, voor de oordeelsvorming (en de vastlegging daarvan, in data) van overheden over burgers?
Het woord ‘burger’ is allerminst een neutraal woord. Bestuurders gebruiken het woord vaak als het gaat over wederzijdse verwachtingen en verplichtingen. Burgerschap gaat over ‘wat jij voor de maatschappij betekent’. Achter het burgerschapsdiscours – en dat geldt ook voor veel blogs en publicaties over smart cities – gaan politieke discussies en belangenstrijd? Wie wordt betrokken? Waarbij? In welke rol en tot hoever? Heel vaak wordt participatie met de mond gepredikt, constateerden we, maar gaat het feitelijk over menings- of behoeftepeiling. Dat is geen tweeweg- maar eenwegcommunicatie.

Inwoners die terug kunnen praten. Die zich net zo effectief kunnen organiseren als overheden en bedrijven. Juist doordat ze de voordelen van slimme ICT kunnen benutten om net zulke krachtige argumentaties te ontwikkelen als grote organisaties. Dat is het ideaal van veel ‘grass-roots’ idealisten die het credo van de slimme stad met slimme burgers verkondigen. Veel empirische analyses van wat er feitelijk gebeurt zijn er niet. Een vorig jaar gepubliceerde vergelijkende studie van Aziatische smart city initiatieven van een Japanse collega, laat zien dat onder het mom van zelforganisatie en participatie er verdacht veel monitoring, surveillance en gedragsbeïnvloeding tot achter de voordeur op gang komt. Geen terugpratende inwoners dus, maar een gemeentelijke overheid en bedrijven die eindelijk het laatste bastion van de integriteit van de persoonlijke levenssfeer slechten met slimme prikkels: de voordeur.

Veel van die prikkels lijken aantrekkelijk: doe mee aan dit obesitas-bestrijdingsprogramma en krijg een extra belastingvoordeel of een korting op uw ziektekostenpremie. Daar zullen weinig mensen tegen zijn. Maar wat vinden we ervan als we met slimme prikkels gestimuleerd worden om ons meer per fiets te verplaatsen en daarbij onze verplaatsingsgegevens geregistreerd worden? Of we door een slimme parkeerapp in combinatie met vergunningen gestimuleerd worden om verderop te parkeren, zodat bedrijven en bezoekers onze parkeerplaatsen kunnen gebruiken? Achter deze slimme prikkels of ‘nudges’ gaan politieke keuzes schuil. Beleidswensen van bestuurders. Beelden over wat voorrang heeft en wat van mindere prioriteit is. Gedwongen kunnen we niet worden, zo hebben de beleidsmakers geconstateerd. Omdat dat heel veel geld kost, omdat het niet mag of omdat het politiek onwenselijk is. Maar wat nu als inwoners uit eigener beweging, op basis van de hen verstrekte informatie, een verandering aanbrengen in hun leefpatroon dat overeenkomt met de wensen die beleidsmakers hebben? Door data te combineren kunnen gemeenten bijvoorbeeld bovendien veel preciezere voorspellende analyses maken van de plek en de mensen waarbij maatschappelijke problemen zich voor gaan doen. Bijvoorbeeld van de groep mensen die geen gebruik maakt van maatschappelijke voorzieningen terwijl ze daar wel recht op hebben. Van jongeren die een groot risico lopen voortijdig de schoolcarrière af te breken. Of huurders die hun huis illegaal onderverhuurd hebben. Big data analyses versterken het vermogen van gemeenten om te weten wat hun burgers doen tot achter de voordeur. Is dat erg?

Joost gaat onderzoek doen naar de ethische aspecten van dit soort initiatieven. De manier waarop nudges feitelijk werken. Wat dat doet met mensen en hun morele oordeelsvorming en wat dat fundamenteel politiek betekent. Hij kijkt daarbij ook naar manieren waarop smart city initiatieven en datagestuurd werken, kunnen helpen om de integriteit van de persoonlijke levenssfeer te versterken. De controle van inwoners over hun eigen leven door dataregistratie te vergroten. Duidelijk is dat steeds meer over ons bekend is. Google weet meer van mij dan de gemeente waarin ik woon. Hetzelfde vrees ik voor mijn telecomprovider. De vraag is wat ik daarmee verlies en wat het gevaar is. Als klant kan ik in ieder geval niet terugpraten: ik heb door het product te kopen mijn rechten weggegeven. Hoe maken we met behulp van open data en smart cities van inwoners eigenaars van de stad? Wat is daarvoor nodig in termen van platforms en tools? Hoe slechten we de kloof in digitale vaardigheden, die nog hardnekkiger en dieper lijkt dan die tussen bureaucratisch competente en minder competente inwoners? En hoe kan smart city technologie helpen bij het versterken van het vermogen tot morele oordeelsvorming, in plaats van die uit te hollen? Me dunkt is het een kernrol van stadsbesturen om hier een voortrekkersrol in te spelen: het behouden en claimen van de controle van inwoners op data over hun eigen levenssfeer. Wegduiken in angst voor privacy helpt niet; de dataregistratie en hergebruik van data vindt al plaats.