Publieke innovatie door ICT – mensenwerk of meer?

Vorige week mocht ik een bijeenkomst begeleiden van de mensen die in de Nederlandse digitale stedenagenda (DSA) de afgelopen jaren een hoofdrol speelden. In het bepalen van de focus constateren de medewerkers van de DSA dat naast techniek en digitalisering, er steeds meer behoefte is aan het bouwen aan innovatie in de brede zin van het woord. Welke voorwaarden helpen het netwerk/het systeem om versnelling aan te brengen in de ontwikkelingen in het publieke domein. Welke cultuur is nodig om te innoveren? Tegen welke dilemma’s lopen we (allen steeds weer) aan? Hoe kunnen we die vraagstukken op systeemniveau beter benaderen? Wat is nodig om van elkaar te leren en deze vraagstukken met elkaar ruimte te geven? Wie speelt daarin welke rol?

Ik werd weer eens geconfronteerd met de vraag waarom ik mij zelf eigenlijk zo intensief met ICT bezighoud. Ik ben geen technologie-adept en heb ervaren dat innovatie vooral iets is van je zo klein mogelijk maken, je open stellen voor de ambitie en kracht van de ander, zo veel mogelijk planmatige benaderingen die dat opleveren wat je al had weer loslaten. Weinig technologie, veel mensenwerk dus. Toch houd ik me al 20 jaar bezig met ICT en ik heb in die jaren veel zien veranderen. Wat is de rol van ICT in dat krachtenveld van vier begrippen: innovatie-adaptatie en adoptie-mensen-ICT?

We hadden de deelnemers gevraagd om hun eigen persoonlijke verhaal van innovatie te delen door het uit te vergroten naar de toekomst. Stel je voor: over vijf jaar heeft een innovatie plaatsgevonden waarin je jarenlang ziel en zaligheid hebt gestopt. Wie waren daarbij betrokken, wat was ieders ambitie, welke hobbels en obstakels kwam je tegen en wat heb je gedaan om daaraan voorbij te komen? Vijf jaar is dichtbij genoeg om de hobbels waarover we spreken nu al te zien en ze persoonlijk te maken en ver weg genoeg om niet te kunnen plannen, voorzien wat er gebeurt of bij de pakken neer te zitten. Je kunt, met andere woorden, ontkomen aan de voetangels en klemmen waar je nu mee worstelt.
Het resultaat was voor mij best verrassend. De meeste deelnemers vertelden verhalen die over adoptie en adaptatie gingen, over de stroperigheid van samenwerken en de onhandelbaarheid van klassieke vormen van organiseren. Dat leidde onwillekeurig tot de vraag of dit wel over innovatie met ICT ging en wat het domein was waarover we eigenlijk spraken?
Ik heb zelf de afgelopen dagen ook nog met die vragen zitten stoeien. Ik werk aan Smart Cities, open data, platforms en smart city ecosystems, maar het merendeel van wat ik doe gaat over heel gewone mensen-ambities: sociale samenhang in de stad, het omgaan met leegstand en ruimtelijke transformatie, het aantrekkelijker maken van binnensteden. Over veiligheid en duurzame mobiliteit. Technologie is daarbij nooit de bottleneck. Die technologie is er vaak al, het gaat er alleen om samen goed in te spelen op de technologie en deze beschikbaar te stellen, "open" te krijgen voor ‘gewone’ mensen: inwoners en ondernemers. Het probleem is dus niet technologie, maar mensen-dingen: het gaat over toegang, over eigendomsverhoudingen, over vormgeving en over gebruik.

Is technologie dan minder belangrijk? Nee, moet ik nu zeggen. Technologie is nooit neutraal. De uitzending van Tegenlicht over Smart Cities deze week liet dat nog eens mooi zien. Wiens techniek? Welke waarde wordt gerealiseerd? Wie is eigenaar van de data? Moderne ICT heeft verregaande gevolgen voor het functioneren van de stad. In het ontwerp van een slimme toepassing – een sensor in een zelfrijdende auto, een lantaarnpaal die allerlei data registreert, een slim scherm dat content presenteert en mensen verlokt om daarop te reageren – liggen waarden besloten. Bedoelingen. Die zie je steeds minder, het is steeds lastiger te doorgronden waaraan je precies deelneemt. En bovendien: als het voordeel brengt of goed voor je is, zoals de registratie van gezondheidsdata door biometrische armbandjes, dan blijken de meeste Nederlanders zeer bereid om mee te doen. De acceptatie is groot, de mate van doorgronding beperkt.

Hoe technologie wordt vormgegeven doet ertoe. Het betrekken van mensen daarbij is een kernopgave. Het gaat allang niet meer om privacy, of om het eigendom van de data – het gaat erom mensen in staat te stellen zélf vorm te geven aan hun leven. Techniek kan daarin bepaalde vormen boven de andere stellen door prikkels (nudges) aan te bieden. En het zicht benemen, of juist zicht bieden. Technologie is bovendien overdraagbaar. Ik kan zelf heel moeilijk direct en voortdurend het contact onderhouden met mijn beste vrienden, maar kan door middel van ICT wel met hen communiceren, plannen ontwikkelen, betalingen doen, een systeem ontwikkelen. Technologie verbindt, in de ruimte maar ook in de tijd. Het heeft daarmee een duurzaamheid die we als mensen nauwelijks op kunnen brengen, of alleen tegen heel hoge kosten. Zo beschouwd gaat technologie over elk vraagstuk van innovatie. Het voegt aan oplossingen een reikwijdte en duurzaamheid toe die enorm is. Het maakt oplossingen herbruikbaar of vervormt ze juist – op zo’n manier dat ik er geen veranderingen meer in kan brengen of zelfs niet opmerk, zoals dat bijvoorbeeld gaat met mijn Facebook account en de interface die Facebook promoot. Daarin staat het steeds gedetailleerder delen van mijn leven met mijn ‘vrienden’ centraal.

Daarom ben ik, na vorige week, toch geneigd te zeggen dat we ons in alle innovatieprocessen wel degelijk elke keer de vraag moeten stellen: wiens innovatie? Waarom? Wat winnen en verliezen we als we hiermee aan de slag gaan? De Nederlandse bestuurskundige Ig Snellen muntte daarvoor bijna 25 jaar geleden de term ‘dieptestructuur’. Laten we daar maar eens wat meer aandacht voor hebben. Ik ben helemaal niet weg van 'makkelijke' technologie die ik niet meer zie. Die alles van mij automatisch registreert. Het Internet of Things is niet neutraal. De opkomst van wearables bijvoorbeeld heeft grote ethische consequenties. Daarover moet het debat gaan: over technologie in handen van mensen. Adaptatie en adoptie zijn daarin politieke handelingen, die het verdienen om doorgrond te worden.